Dierenleven: Fred’s dieren
Een icoon van ons tuinpark neemt afscheid. Na veertig jaar stopt Fred Haaijen met zijn tuin, maar hij zal zeker niet stil blijven zitten. Lees hier zijn persoonlijke afscheidswoord én een uniek voorproefje uit zijn nieuwe boek over z’n avonturen tussen de volkstuinen in het wilde noorden van Amsterdam.
Augustus 2026 – Tekst en foto’s door Fred Haaijen, tuin 94
Met een weemoedig maar dankbaar hart schrijf ik mijn allerlaatste artikel voor onze vertrouwde tuinkrant. Onlangs is mijn tuin verkocht. Na maar liefst veertig jaar op de volkstuin komt er een einde aan een prachtig tijdperk. Ik kijk terug op een absoluut paradijsje. In vier decennia tijd is er ontzettend veel veranderd op het complex, en ik ben trots dat ik daar destijds een bescheiden bijdrage aan heb mogen leveren.
Hoewel ik mijn vaste stek verlaat, ben ik zeker niet definitief uit beeld. Ik wens iedereen nog ontzettend veel tuinplezier en zal gerust nog af en toe langskomen om gezellig te buurten. Bovendien blijf ik mijn vaste rondje lopen om de broedgevallen van de ijsvogels te monitoren; de natuur laat me immers nooit los.
Achter de schermen zit ik ook niet stil. Ik ben momenteel druk bezig met het schrijven van een boek over al mijn avonturen in het wilde noorden van Amsterdam. Dat boek wordt nog dit jaar uitgebracht. Er staat uiteraard ook een hoofdstuk in over de volkstuinen, en dat wil ik jullie als trouwe lezers niet onthouden. Als voorproefje volgt hieronder het eerste deel van het betreffende hoofdstuk.
Leesfragment uit hoofdstuk 33 van mijn boek:
De slag om de volkstuinen
Het was in 1983 toen ik als medeoprichter van nutstuincomplex De Swaenen mijn eerste ervaringen opdeed met een eigen tuintje. Met gieters naar de sloot lopen om de oogst te redden; het was een harde maar mooie leerschool. Een leerschool die later naadloos overging op volkstuincomplex Buikslotermeer.
In 1986 was ik daar als jonge hond te vinden. Gewapend met een kruiwagen maakte ik de paden onveilig, vol energie en plannen. De natuur zat toen al in mijn bloed — en dat bloed begon op de volkstuin pas echt goed te stromen.
Aanvankelijk pakte ik het ecologische leven nog wat onbeholpen aan. Kikkers die ’s nachts mijn slaap verstoorden met hun luide gekwaak, ving ik eigenhandig uit de sloot om ze een stuk verderop weer uit te zetten. Dat bleek volkomen tevergeefs. Of exact dezelfde kikker zat de volgende nacht alweer op zijn oude honk, of het territorium werd direct overgenomen door een nieuwe luidruchtige kwaker.
Ook de ransuilen — en dan vooral hun onvermoeibare jongen — lieten stevig van zich horen. In de natuur geldt de wet: het ong dat het hardst schreeuwt of piept, krijgt de vetste muis. De jonge takkelingen (jonge uilen die nog niet kunnen vliegen, red.), soms wel vijf tegelijk, verraadden zonder enige schaamte hun posities in de bomen. Mijn aanvankelijke ergernis over de herrie sloeg echter volledig om in diepe bewondering tijdens een gedenkwaardige, schemerige avond. Een van de oudervogels vloog die avond rakelings over mijn hoofd en streek op amper twee meter afstand van me neer.
Die indringende blik. Die absolute rust. Die eeuwenoude wijsheid. Het voelde alsof er op dat moment stilletjes iets aan mij werd overgedragen.
Dat magische moment met de ransuil was voor mij het definitieve startschot voor ecologisch beheer op de volkstuin. Ik besloot in overleg te treden met het bestuur, waarbij het natuurlijk een leuk bijkomend voordeel was dat mijn schoonvader destijds de voorzittershamer droeg. Na goed overleg kreeg ik op een afgelegen plek op het complex een proefvak toegewezen. De boodschap was helder: ik mocht mijn gang gaan en experimenteren met de natuur, mits het maar ‘netjes’ bleef.
(Wordt vervolgd in mijn boek)
Ransuil op ons tuincomplex
Gele rugstreeppad op de tuin bij het Algemeen werk

