Illustratie Alison Bass, tuin 210
Dierenverhalen: bijen
Wat zit er eigenlijk achter die gesloten kastdeuren in de fruittuin? Redactielid Elske trekt dit seizoen op met onze ‘bijenman’ Remko en doet verslag. In deze derde aflevering barsten de volken uit hun voegen, dienen zich nieuwe koninginnen aan en wordt de allereerste honing van het seizoen geslingerd.
Juli 2026 – Tekst door Elske de Kruijter, tuin 204; foto’s door Hillie de Rooij, tuin 31
Bericht Remko op woensdag 6 mei: Zondag 12 uur bijen kijken. Verzamelen voor het bondsgebouw, we gaan deze keer ook naar de bijenvereniging.
Als ik Remko die zondag tref bij het bondsgebouw, legt hij uit wat het plan is: “We gaan vandaag weer kijken of de volken voldoende ruimte hebben. Als een volk heel groot is, ga ik een ‘aflegger’ maken om te voorkomen dat het volk door ruimtegebrek gaat zwermen.”
Zwermdoppen
Wanneer een kast te vol raakt, beginnen de werkbijen ‘zwermdoppen’ of ‘koninginnencellen’ te maken. Als deze bijna rijp zijn, vertrekt de oude koningin met een zwerm werkbijen om een nieuwe plek voor een nest te zoeken. De zwerm strijkt vaak neer in een boom of een dakgoot om een grote tros te vormen. Vanuit hier gaan verkenners opzoek naar een definitieve plek (een holle boom of een spouwmuur). Remko: “Je hoeft niet in paniek te raken als je een bijenzwerm ziet hangen. Ze zijn over het algemeen heel vreedzaam, want ze hebben zich volgegeten met honing en hebben geen honingraat te beschermen. Je kunt het beste een imker bellen om de zwerm op te halen.”
Remko gaat verder: “Een aflegger maak ik in een klein bijenkastje met zes raampjes erin: een zogenaamde ‘zes-ramer’. Hierin doe ik wat nieuwe raampjes en eventueel wat oude ramen waar nog honing in zit. Uit de overvolle kast haal ik een raam met ‘Brias’, wat staat voor ‘Broed in alle staten’: eitjes, open larven en gesloten broed. Ik zet het aflegkastje naast de grote kast. De ‘vliegbijen’ gaan weer terug naar de oude kast en de ‘verzorgingsbijen’ gaan in de nieuwe kast aan het werk. De verzorgingsbijen zien broed, maar geen koningin. Nu gaan ze als de wiedeweerga een zogeheten ‘redcel’ maken waaruit een nieuwe koningin wordt geboren. De werkbijen selecteren hiervoor een aantal jonge werkbij-larven van maximaal drie dagen. Deze larven krijgen vanaf dat moment alleen nog koninginnengelei te eten, en krijgen een speciaal gebouwde, naar beneden hangende koninginnencel. De eerste nieuwe koningin die hieruit wordt geboren begint te “tuten” (ze drukt haar borststuk tegen de raat en laat haar vleugelspieren trillen, dat zorgt voor een fel geluid) De koninginnen die nog in hun cel zitten, antwoorden met hetzelfde geluid, maar dit klinkt als kwaken, vanwege de akoestiek in de dichte cellen. Dit doen ze om een dodelijk gevecht te voorkomen. De ‘tuter’ zegt: ik ben de eerste, dus ik ben dominant. De kwakers geven het signaal dat ze nog geen concurrentie zijn. Als er teveel koninginnencellen zijn, of er te weinig bijen over zijn voor nog een volk, zorgt de koningin direct dat haar potentiële concurrenten worden uitgeschakeld door een gat in de cellen te knagen en haar rivalen dood te steken met haar angel. Ze vliegt uit om bevrucht te worden en komt daarna weer terug in de kast, zodat ze het broed kan bevruchten. Zo ontstaat er (in vijfenzeventig procent van de gevallen) een nieuw volk. Dat volk gaat, bij ruimtegebrek, weer naar een ‘elf-ramer’. En die bakken kun je dan weer uitbouwen naar gelang de groei van het volk. Pas volgend jaar zullen ze genoeg honing geven voor de productie.”
boven: Inspecteren, onder: volle kast, rechts: zes-ramer
Op de Bijenvereniging
Als we klaar zijn bij het bondsgebouw, fietsen we over spannende paadjes langs de A10 naar tuinpark Wijkergouw, dat aan de binnenkant van de ring ligt. Het terrein met het gebouwtje van de bijenvereniging ligt achter het hakselterrein van het volkstuincomplex. Het is een mooie oase met hoog gras en veel bramen, maar niet per se een goed stukje land voor de bijen. Die moeten hun voedsel elders halen. Bijvoorbeeld van de fruitbomen op de tuinparken, en van de lindebomen die er volop staan binnen de ring. Verspreid over het terrein staan verschillende plukjes gestapelde kasten. Iedere imker heeft zijn eigen kleur. Er zijn ook andere imkers bezig. Eén ervan is net begonnen met imkeren. Hij had gehoord dat er de afgelopen week een zwerm in de boom naast zijn kasten hing. “Zou die bij mij vandaan kunnen komen?” vraagt hij aan Remko, en samen kijken ze in zijn kasten. Remko constateert dat er verschillende redcellen op de raten zitten. Waarschijnlijk is de oude koningin dus gaan zwermen. Het zou goed kunnen dat er een koningin uit die redcellen komt, en hij adviseert om dat af te wachten Er komt een andere imker bij. Ook hij is, net als Remko, een ervaren imker, want ik zie hem even later zijn kasten openen in en T-shirt met korte mouwen en met zijn imkerhoed losjes, niet dicht geritst, op zijn hoofd. Hij moet dus wel heel goed weten wat hij aan zijn bijen heeft, of hij is zo vaak gestoken dat hij er immuun voor is geworden (mij niet gezien). Deze imker adviseert de koninginnencellen kapot te maken en een nieuw ‘Brias’-raam in de kast te hangen, zodat de werkbijen opnieuw kunnen beginnen.
Als ik er later op terugkom bij Remko zegt hij: “Het kan allebei. Het is een kwestie van uitproberen.”
De bijenvereniging
Hierna slaan we vanwege de kou een weekje over en gaan we niet naar de bijen. Helaas ben ik de drie weken daarna op vakantie. Heel fijn natuurlijk, maar dat maakt wel dat ik de bijen niet kan volgen. En dat wrijft Remko mij goed in.
Bericht van Remko: Dan ga je zoveel missen! Verse honing uit de raten, slingeren, nieuwe koninginnen en ga zo maar door! Nee hoor, zal wel meevallen. Denk dat ze nu binnen zitten te kleumen en al MIJN honing oppeuzelen. We zullen zien. Veel plezier op vakantie. Volgende week ga ik nog even snel honing checken.
Volgend bericht van Remko, op 26 mei: ‘Bij de bijenvereniging en de bond één kast met volle honingkamer, bijenuitlaat eronder gezet, volgende week slingeren. Totaal 30 tot 40 potjes.’
Ik bericht terug: ‘Zo! Toe maar! Jammer dat ik er niet bij kan zijn. Volgende slingerronde wel, hoop ik! Dank voor je update.’
Bericht van Remko op 1 juni: ‘Twee emmers honing en één emmer met bodempje honing en zegeltjes was.’
Video: potjes vullen
Zondag 21 juni is het weer zover, ik ga weer mee naar de bijen. Het is, na al die koude en regenachtige weken, hartstikke warm geworden. Het zal vandaag tegen de dertig graden lopen. Dat doet de bijen goed. De imker en zijn meekijkers wat minder, met die dikke witte kiel en hoed, slobberbroek en laarzen. We beginnen deze keer dus wat vroeger.
Remko: ‘Morgenochtend om 10 uur start. Hillie en jij kunnen twee batches proeven en wellicht kopen, als Ineke vandaag niet alles verkoopt.’
De eerste honingoogst
In het tuinhuisje van Remko staan de potjes honing, met een prachtig etiket van een bijenkop, al klaar. Het is de oogst van een kast bij het bondsgebouw, en van een kast bij de bijenvereniging. Hillie en ik proeven beide ‘batches’. Een batch wordt ook wel ‘partij’ of ‘lot’ genoemd. Het is een specifieke hoeveelheid honing die in één keer is geoogst, geslingerd en verwerkt. Elke batch krijgt een uniek batch- of lotnummer om verschillende redenen: onder andere de traceerbaarheid, de unieke smaak en kleur.
Bij Remko staat er een weeknummer, het nummer van de plek, en het kastnummer op. Hillie en ik vinden de honing van de kast bij de bond het lekkerst. Hij kleurt heel mooi licht en hij smaakt heel fris. De andere is iets donkerder van kleur en smaakt iets ‘zalviger’.
Honingpotjes en de batch
“Ik heb de voorjaarshoning van twee kasten veertien dagen geleden geslingerd,” vertelt Remko. “Deze honing komt van de fruitbomen en heeft een andere smaak dan de najaarshoning die voornamelijk van de lindebomen komt. Ik oogst de honing uit de bijenraten door middel van een centrifuge. Hierdoor wordt de honing uit de cellen geslingerd zonder dat de raten zelf kapotgaan. Ter voorbereiding leg ik de dag ervoor een bijenuitlaat tussen de broedkamer en de honingbak die ik wil oogsten. Bijen willen in de nacht graag naar de broedkamer om de koningin warm te houden. Ze lopen door de nauwe openingen naar beneden en kunnen door een speciale constructie de weg terug niet meer vinden. Na een dag is de honingkamer zo goed als leeg. Het slingeren gebeurt in een klein hokje van ongeveer twee bij twee meter. Ondanks dat je het behoorlijk warm krijgt van al dat geslinger, is het raadzaam de deur van het hokje dicht te houden. Door het slingeren en het uitlekken in de emmers is de honingwalm zo intens dat het de bijen uit de kasten eromheen aantrekt, en als je niet uitkijkt, zit je in een zwerm van bijen die hun eigen honing weer komen halen.”
Met een potje honing in onze fietstas fietsen we achter Remko aan naar de kasten bij het bondsgebouw. Zijn imkerbakfiets is helaas gesneuveld en moet worden gerepareerd. Remko heeft op een heel inventieve manier zijn tweewielige kruiwagen achter zijn gewone fiets gebonden. Dat werkt ook, er kan alleen minder in.
Nieuwe bijenvolkjes
De week daarna gaan we kijken of er inderdaad een nieuw volk is ontstaan in de drie kleine kastjes die Remko vorige keer heeft gevuld met brias. Bij de bond is het niet gelukt. Bij de bijenvereniging wel. Remco doet rond de bijenkasten weer zijn eigen bijendansje met de beroker.
Remko’s bijendansje
Hij controleert alle kasten: is er nog genoeg ruimte voor broed en voor alle honing, en indien nodig zet hij er een nieuwe bak op. De kasten groeien gestaag uit tot de torenflats die ik had verwacht te zullen zien toen ik voor het eerst in de bijenstal keek. Hij kijkt ook naar de nieuwe volkjes. Die zijn goed bezig. Er is duidelijk een koningin aanwezig, want er zijn heel veel eitjes. Op een volgend raam kun je larfjes zien zitten, en sommige celletjes zijn al dicht. Dat raam is dus in een nog verder stadium. Veel ruimte hebben ze niet over. Er mag dus een nieuwe broedbak op. Remko is tevreden.
Als je goed kijkt zie je de larfjes zitten
Bijenconcurrentie
Klopt het dat een teveel aan bijenkasten slecht is voor de wilde-bijenpopulatie? vraag ik aan Remko, terwijl we terugfietsen naar het tuinpark. “Dat klopt,” antwoordt Remko. “Daarom moeten de imkers hun bijenkast aanmelden bij de gemeente, zodat die het aantal kan bijhouden. Toch is het volgens mij te kort door de bocht om te beweren dat de honingbijen de wilde bijen altijd in de weg zitten. Honingbijen voeden zich alleen met groot aanbod, zoals fruitboomgaarden, grote bramenvelden, of de vele lindebomen. Ze vliegen niet op een enkel bloemetje. Het zou te veel moeite zijn om iedere keer hun dans te doen voor één enkel bloemetje. Wilde bijen vliegen wel op een enkel bloemetje, en hebben dus heel veel aan (volks)tuinen, ongemaaide bermen en parken. Je kunt ze steunen door de juiste planten in je tuin te zetten, en nestplaatsen voor ze te maken. Maak bijvoorbeeld van een bosje oude bamboestokken een plek voor zwarte ‘houtbijtjes’. Die leggen daar hun eitjes in, samen met voer, en sluiten ze dan af.”
Ik zoek zelf wat informatie op internet en lees dat wetenschappelijk onderzoek en natuurorganisaties zoals Staatsbosbeheer inderdaad waarschuwen dat een overschot aan honingbijen schadelijk is voor de biodiversiteit. Vooral in kwetsbare natuurgebieden en in stedelijke gebieden waar maar relatief weinig bloemen zijn. In grote landbouwgebieden met massaal bloeiende gewassen (zoals fruitgaarden) is er vaak wel genoeg voor iedereen. Het is dus zaak om het evenwicht goed in de gaten te houden.
Wilde bijen en hoe je ze kunt helpen
Er zijn meer dan driehonderd soorten wilde bijen in Nederland. Ze zijn verdeeld in twee groepen. De solitaire bijen (circa 330 soorten in Nederland) leven volledig alleen. Elk vrouwtje maakt haar eigen nestje (bijvoorbeeld in een bijenhotel, of in gangetjes onder de grond) en zorgt zelf voor haar eitjes. Voorbeelden zijn de rosse metselbij, de zandbij en de behangersbij. Daarnaast zijn er de hommels (twintig tot dertig soorten). Die zijn wel sociaal, en leven in een volk met een koningin en werksters. Hun kolonie is met een paar honderd hommels een stuk kleiner.
Om wilde bijen echt te helpen, is het belangrijk om vanaf het vroege voorjaar tot de late herfst bloeiende planten in je tuin te hebben. Kies dan voor enkelbloemige (inheemse) planten. Bij gevuld bloemige planten kunnen bijen namelijk niet bij de nectar of het stuifmeel komen.
Bekende bijenplanten
Maart-mei: krokus, sneeuwklokje, boswilg, longkruid, fruitbomen.
Juni-augustus (piekperiode waarin de meeste bijen actief zijn): dropplant, kattenkruid, lavendel, allerlei kruiden, vaste inheemse planten zoals knoopkruid, beemdkroon, knoflook en sieruien.
September-oktober: klimop, vuilboom, herfstaster.
Tips om bijen te helpen
-Vermijd gif en koop biologische planten en zaden.
-Kies paarse en gele bloemen. Deze kleuren zien de bijen het allerbest.
-Zet een platte schaal neer met water en wat knikkers of steentjes erin, zodat bijen veilig kunnen drinken.
-Zorg voor plekken waar de bijen kunnen nestelen. Een bijenhotel kan natuurlijk altijd, maar zorg ook voor een stukje onbegroeide, zonnige grond of haal een tegel uit de bestrating, en vul deze plek op met zand. Laat uitgebloeide planten en stengels in de herfst staan, of leg een stuk vermolmd hout neer.
Kijk voor meer bijeninformatie eens op deze websites: thepollinators.org of bestuivers.nl

