Angela Muller in haar tuinhuis
Nieuws: In memoriam
Na een kort ziekbed is op 17 februari jl. Angela Muller van tuin 98 heengegaan, 88 jaar oud. Ze was een van de langstzittende tuinders op ons tuinpark. Medetuinder Edwin Oden schreef een afscheidsportret: over een ingetogen persoonlijkheid met gevoel voor schoonheid en diepgang.
April 2026 – Tekst en fotografie door Edwin Oden, tuin 182
Een bijzonder mens is heengegaan: Angela, die bijna veertig jaar op de volkstuin zat.
Ik kende Angela, ik ging weleens bij haar langs. Vaak was het dan nog vroeg in het jaar, sloeg ze royaal de deuren van haar tuinhuisje open, zette resoluut de fluitketel op het fornuis, dronken we een kopje thee in de zon, uit de wind, en beschenen we het leven dat voor en achter ons lag. Dat waren mooie gesprekken. Als ik opstapte, stak ze nog graag even snel een stukje van een mooie plant voor me af: ‘Hier, neem maar mee, ook leuk voor jouw tuin!’ Ik vond haar intelligent, gul, ervaren, wijs, grappig, beschaafd. Toen ik laatst vernam dat ze was overleden, voelde ik spijt dat ik niet vaker bij haar ben langsgegaan. Maar ja, druk druk druk, en dan ga je niet even langs. Nu kan het niet meer. Het maakt me verdrietig.
Ik had haar al weleens eerder gezien op het park, en weleens gesproken, maar vier jaar geleden leerde ik haar beter kennen, toen ik haar interviewde voor de tuinkrant. Angela was toen al een van de langst zittende tuinders op tuinpark Buikslotermeer.
Vlak voor kerst afgelopen jaar kreeg ze te horen dat ze ziek was. Half januari werd ze opgenomen, en een maand later overleed ze — gelukkig zonder lang te moeten lijden.
Het was haar nichtje Susanne die me appte dat ze was overleden. Susanne vertelde over de laatste maanden van haar geliefde tante. Tot het einde toe was ze zichzelf gebleven, schreef Susanne. Ze was helder, zorgzaam, met een lief woord voor iedereen aan haar bed: de verpleging, het bezoek, of wie er ook maar binnenkwam. Susanne: “Mijn tante was het levende voorbeeld van het spreekwoord ‘Wie goed doet, goed ontmoet.’”
De tuin was voor Angela niet alleen een hobby — het was haar paradijsje. Ze was een echte plantenvrouw, met groene vingers en een bijzondere band met haar vijgenboom, kweepeer, klimrozen, wilde zonnebloemen, en al die andere planten waar ze zo graag tussen vertoefde. Elk jaar zaten haar klimrozen tjokvol vuurrode bloemen, en van de vijgen en kweeperen maakte ze jam en gelei. Ze volgde haar planten op de voet, zag ze groeien, haalde de dode delen eruit. “Dan gaat zo’n plant er weer helemaal van stralen,” zei ze, zelf ook stralend.
Behalve dat ze van haar tuin genoot, schonk Angela ook regelmatig als vrijwilliger koffie tijdens het algemeen werk, altijd met lekkere taart van de Hema erbij. De laatste jaren viel tuinieren haar helaas zwaarder. Ze had problemen gekregen met haar evenwicht en energie, kon niet meer dan een uur achter elkaar werken. Eén kruiwagen afval per week verslepen was het maximaal haalbare geworden. Elk jaar vroeg ze zich af of ze de tuin niet moest opgeven — en elk jaar was ze makkelijk over te halen om nog even door te gaan. Tuinder Henk bood haar vaak zijn diensten aan met zware klussen. Dat ze haar kleine paradijsje zo lang mocht houden, was een groot geluk voor haar, aldus haar nichtje Susanne.
Angela had geen partner, maar verbinden kon ze zich als geen ander: behalve met haar tuin ook met een andere grote passie van haar: de muziek. Al sinds de Montessori kleuterschool bij de nonnen in Nijmegen zong ze, en als kind had ze al een concert abonnement bij de Nijmeegse concertzaal. ‘Muziek raakt m’n ziel en zaligheid’, zei Angela die keer toen ik haar interviewde voor de tuinkrant. ‘Het is denk ik het in directe verbinding staan met die zuivere vorm van schoonheid. Dan vergeet ik alles, inclusief mezelf.’ Ze was erelid van de Koninklijke Christelijke Oratoriumvereniging Excelsior. Tijdens een van onze gesprekken in het zonnetje merkte ik haar enthousiasme als ze vertelde over haar zanglessen, die ze al vele jaren volgde: ‘Ik ben zo blij dat ik nog steeds zuiver kan zingen, want op mijn leeftijd kan je stem gaan fladderen en z’n nuances verliezen.’ De koordirigent had tegen haar gezegd dat haar stem nog zo jong klonk. Angela, helemaal in haar nopjes: ‘Nou, toen hij dat zei, was ik wel even in de zevende hemel, hoor.’
Met Excelsior voerde ze jaar-in-jaar-uit de Mattheüs Passion uit. Trouw stuurde Angela me altijd haar jaarlijkse mailtje met het aanbod om kaartjes voor de Mattheüs te bestellen, tegen een kleine korting. Steevast kocht ik de kaartjes en genoot ik van het concert. Een mooie traditie. In de grote zaal van het Concertgebouw zag ik haar dan staan, op haar vertrouwde plek in het koor, op de tweede plek linksboven in de rechtergroep. Dit jaar zal ik haar ook daar enorm missen. Maar dan zeg ik in gedachten: dag lieve Angela, ik zal je nooit vergeten!
Mijn laatste vraag aan Angela in het tuinkrant-interview ging over haar dood. Ze vertelde dat ze gecremeerd wilde worden, en dat haar as zou worden uitgestrooid in de vrije natuur. ‘Dan word ik weer één met het buitenleven dat mij zoveel plezier heeft gegeven.’
Wilde ze dan geen grafsteen, vroeg ik, met een mooie inscriptie? Nee, dat hoefde voor haar allemaal niet. Liever geen kouwe drukte, zei ze.

